Braakballen bij vogels

 

Datum     :  Maandag 1 oktober 2007

Aanvang :  20.00 uur

Plaats      :  Café ’t Trefpunt te Geysteren

 

 

Onze spreker voor deze avond is Jan Kersten met assistentie van Riek van den Bosch.  Jan is geen onbekende voor onze vereniging en deze avond gaan we iets meer te weten komen van braakballen.

 

Vogels en braakballen

Als een uil een muis heeft gevangen zal hij deze meestal geheel inslikken. Hierdoor komen ook, de voor de uil onverteerbare delen, zoals haren en botjes in zijn maag terecht. Om deze onverteerbare delen kwijt te raken vormt hij deze tot een, vaak iets cilindrische prop, de z.g. uilenbal of braakbal, en braakt deze uit. Doordat de maagsappen van een uil niet zo sterk zijn dat ze botmateriaal kunnen verteren, vinden we in de meeste uilenballen vaak goed herkenbare schedeltjes en ander botmateriaal. Dit maakt het uitpluizen van uilenballen dan ook tot een bijzonder interessante bezigheid voor jong en oud.

De kennismaking met braakballen blijft voor de meeste mensen beperkt tot uilenballen. Dat ook veel andere vogels braakballen produceren is bij slechts weinig mensen bekend. Toch is dit zo. Roofvogels, reigers, ijsvogels, kraaiachtigen, meeuwen, maar ook kleine zangvogeltjes zoals Roodborst en vliegenvangers produceren regelmatig braakballen. Ook zij verwijderen de door het maag-darmstelsel niet te verteren voedselresten in de vorm van een braakbal.

De grootte, inhoud en vorm van de braakbal zijn belangrijke aanwijzingen om te weten van wie de braakbal geproduceerd heeft. Maar zeker ook de vindplaats kan een belangrijke aanwijzing geven. Als we weten op welke plaatsen bepaalde vogels regelmatig verblijven is het makkelijk het verband te zien tussen de vogel en de daar gevonden braakballen.

Niet alleen uilen eten muizen, ook roofvogels zoals Torenvalk, Buizerd en Kiekendief eten muizen. De maagsappen van uilen zijn minder sterk dan die van roofvogels en reigers. Daardoor vinden we vrijwel alleen in uilenballen gave schedeltjes en botjes. De braakballen van roofvogels en Blauwe reigers bestaan vooral uit haren en of veren. Deze zijn door de maagsappen sterk aangetast. De gegeten botjes of botfragmenten zijn voor het merendeel in de maag verteerd. Van de schedeltjes zijn meestal slechts kaakfragmenten met enkele tanden of  kiezen terug te vinden.

Van vogels die insecten hebben gegeten vinden we in hun braakballen vaak chitineresten. Insecten hebben een harde huid die tevens dient als skelet. Dit uitwendige skelet, maar ook de vleugels, bestaan uit een kalkachtige stof, chitine genaamd. Chitine van insecten kan door de maagsappen van vogels niet verteerd worden. Grote insecten zoals mestkevers worden zowel door verschillende uilen alsook door roofvogels gegeten.

 

Blauwe Reiger

In de braakballen van een Blauwe reiger vinden we, naast resten van kleine zoogdieren, vogels, en soms allerlei dierlijk afval, vaak chitineschilden van de Geelgerande waterkever. In de braakballen van een Blauwe reiger, vinden we vaak ook zand. Dit is met het prooidier opgenomen. Dit is bij een Blauwe reiger vaak een Mol. Ook kan er dan gras in zitten. Kennelijk nemen ze het niet zo nauw bij het verorberen van hun prooi.

 

Kokmeeuw

In braakballen van Kokmeeuwen zitten vaak chitineresten van zowel waterkevers als waterwantsen maar ook van plantaardig materiaal.

 

IJsvogel

De IJsvogel eet voornamelijk vis. Zij braakballen bestaan dan ook vooral uit visgraatjes. Soms eet hij ook wel waterinsecten. Dan zien we tussen de witte vissengraatjes de donkere chitineresten.

 

Kauw

Kauwen zijn alleseters. In hun braakballen vinden we dan ook allerlei plantaardige en dierlijke resten maar ook plastic en vaak kleine, vooral witte steentjes. Andere kleuren komen ook voor, maar de witte overheersen. De reden hiervan zou kunnen zijn dat deze het meeste opvallen. De steentjes worden bewust opgenomen voor het helpen bij het vermalen van het voedsel in de maag.

 

Havik

In de braakballen van echte vleeseters zoals de Havik vinden we vooral veren en botfragmenten van vogels. Soms zitten er ook zaden in van planten. Deze zijn dan met de maag van een zaadetende prooivogel opgenomen. Door de roofvogel zijn ze niet te verteren en dus worden ze mee uitgebraakt. Ook zitten er vaak ringen in van postduiven, soms nog aan een nagenoeg hele poot. Aan het jaartal op de ring kunnen we zien dat het meest jonge, kennelijk onervaren vogels zijn, die het slachtoffer waren. Ook postduiven die, mogelijk door een verre vlucht oververmoeid waren, blijken nog al eens ten prooi te vallen.

 

Sperwer

De Sperwer is een verkleinde uitgave van de Havik. Dit geld ook voor hun braakballen. Daar zitten dan ook vooral resten van kleinere vogels in. Doordat hun prooisoorten elkaar weinig overlappen heeft de Sperwer in de loop van de evolutie  naast de Havik stand kunnen houden.

 

Boomvalk

De braakballen van Boomvalk en de Sperwer zijn zonder extra aanwijzingen van vooral de vindplaats, nauwelijks van elkaar te onderscheiden. De Boomvalk jaagt veel op libellen, de resten hiervan zijn soms een duidelijke aanwijzing.

 

Torenvalk

In de braakballen van een Torenvalk zitten meest sterk vervilte haren van muizen. De botfragmenten die er in zitten zijn meestal nauwelijks te determineren. Bij gebrek aan muizen zullen ze ook vogeltjes en grote insecten zoals mestkevers eten.

 

Buizerd

Het voedsel van de Buizerd is nogal gevarieerd. Zoals alle roofvogels zal hij vooral dat eten wat het makkelijkst te verkrijgen is. Dit zal vaak aas zijn, maar ook jonge of zieke vogels en zoogdieren. Sommigen lijken gespecialiseerd te zijn in het vangen van muizen of Mollen. In zeer natte periodes staan vaak Regenwormen of rupsen op hun menu. De braakballen van de Buizerd bevatten dan ook vooral veren en of haren met nauwelijks botfragmenten en soms resten van insecten.

 

Onderzoek aan uilenballen.

Voor het doen van onderzoek aan de inhoud van braakballen zijn die van een Kerkuil het meest  interessant. Kerkuilen hebben zwakke maagsappen waardoor botmateriaal weinig aangetast wordt. Hierdoor zijn  de schedeltjes van de prooien, met behulp van de juiste tabellen, gemakkelijk te determineren. De braakballen van Kerkuilen bevatten ook vaak veel resten van spitsmuizen. Dit in tegenstelling tot die van andere uilen. Spitsmuizen hebben geurklieren op hun lichaam, waardoor ze voor de meeste predatoren kennelijk niet te genieten zijn. Kerkuilen schijnen hier geen last van te hebben. Ook zijn de braakballen van Kerkuilen vaak makkelijk te vinden. Op kerkzolders, in schuren, stallen en andere gebouwen waar Kerkuilen regelmatig verblijven liggen ze vaak massaal voor het rapen. Als ze binnen liggen zijn verse exemplaren eerst zacht en glanzend zwart met wat slijmresten. Later worden ze hard en stevig. De zwartglanzende kleur behouden ze nog lang.

Voor gevorderde pluizers kan het op naam brengen van de door de Kerkuil gegeten prooidieren, aan de hand van schedeltjes, inzicht geven in zijn voedselvoorkeur. Aangezien de Kerkuil zeer plaatstrouw is,  kan het voorkomen van verschillende soorten kleine zoogdieren in de nabije omgeving, vooral muizen maar ook spitsmuizen, hier uit afgelezen worden.

Ook voor andere uilen geld dit, maar in mindere mate. We missen dan meestal de spitsmuizen. Hun braakballen zijn, uitgezonderd die van de Ransuil op winterroestplaatsen, minder gemakkelijk te verzamelen. Doordat de Bosuil nooit lang van dezelfde rustplaats gebruik maakt, vinden we van hem nooit veel braakballen op dezelfde plaats. Ook is het menu van de Bosuil meer gevarieerd en bestaat minder uit muizen. Zijn maagsappen zijn sterker waardoor botmateriaal, haren en veren, meer verteerd worden. Het voedsel van de Steenuil bevat vaak ook weinig muizen. Grote insecten zoals mestkevers, maar vooral ook regenwormen staan op zijn menu.

De braakballen van de Ransuil kunnen op winterroestplaatsen soms massaal geraapt worden. Doordat ze vanuit de verre omgeving naar deze plaats zijn gekomen kan het beeld van voorkomende muizen in de omgeving vertekend zijn.

 

 

 

Braakballen, een omschrijving van een aantal soorten.

 

1          Braakballen van een Bosuil 

Vorm; cilindrisch, puntig aan een of beide einden.

Afmetingen; 4 tot 6 cm lang en 2 tot 2,5 cm dik.

Inhoud; vervilte haren, schedels, onderkaken en hele botjes van ware- en woelmuizen en zelden van spitsmuizen. Schedels, botjes en veren van zangvogels ter grootte van lijsters of kleiner. Soms ook chitineresten van insecten.

Vindplaats; in naald- en loofbos, vooral met water in de buurt. Aan de voet van afrasteringpalen en onder bomen. Ook in schuren en andere gebouwen met invliegopeningen.

 

2          Braakballen van een Ransuil

Vorm; cilindrisch en aan een of beide einden afgerond, slanker dan de braakballen van een bosuil en met een glad oppervlak.

Afmetingen; 4 tot 7,5 cm lang en 2 tot 2,5 cm dik.

Inhoud; haren, schedels, onderkaken en hele botjes van ware- en woelmuizen en soms van spitsmuizen. Schedels, botjes en veren van kleine zangvogeltjes zoals mussen, vinken of insecteneters.

Vindplaats; Aan de voet van afrasteringpalen, onder bomen langs wegen en bosranden, in het broedbos en massaal onder winterroestplaatsen in vooral naaldbossen.

 

3          Braakballen van een Kerkuil

Vorm; cilindrisch met stompe einden of kogelrond, voorzien van een vaak gitzwarte gladde           korst .

Afmetingen; 2,5 tot 7 cm lang en 2 tot 3 cm dik.

Inhoud; haren, schedels, onderkaken en hele botjes van ware- en woelmuizen, maar vooral ook

van spitsmuizen. Soms ook wel resten van zangvogeltjes zoals mussen en vinken.

Vindplaats; in kerken, schuren, stallen en andere gebouwen met invlieg openingen. Ook wel aan

de voet van afrasteringpalen en onder bomen.

 

4          Braakballen van een Steenuil

Vorm; ovaal of cilindrisch en aan een of beide einden afgerond.

Afmetingen; 2 tot 5 cm lang en 1,5 tot 2,5 cm dik.

Inhoud; haren, schedels, onderkaken en hele botjes van ware- en woelmuizen. Resten van kleine zangvogeltjes, chitineresten van insecten en zand als ze regenwormen hebben gegeten.

Vindplaats; in en onder holle bomen en ook andere bomen, in en bij schuren en andere gebouwen met invliegopeningen en aan de voet van afrasteringpalen.

 

5          Braakballen van kraaiachtigen

Vorm; ovaal of cilindrisch afgerond aan de einden of spits.

Afmetingen; tot 5 cm lang en 2 cm dik zwarte kraai, tot 3,5 cm lang, kauw en roek.

Inhoud; kleine steentjes, plantenresten o.a. van grassen en manskerels, kersenpitten chitineresten van insecten, botten- en schedelresten van muizen, van andere kleine zoogdieren en vogels, vervilte haren en veren.

Vindplaats; onder gezamenlijke slaapplaatsen in bossen, onder bomen en aan de voet van afrasteringpalen langs wegen en paden, op weilanden en akkers en onder broedplaatsen.

 

6          Braakballen van een Blauwe reiger

Vorm; zeer variabel, kogelrond, ovaal, cilindrisch of een grillig gevormde massa opgebouwd uit kleine bolletjes van haren, veren of keverschilden.

Afmetingen; tot wel 12 cm lang en 1,5 tot 4 dik.

Inhoud; haren en bottenresten van muizen, mollen, ratten, woelratten, chitineresten van kevers, resten van vogels en allerlei andere dieren. Soms gras, zand of plastic.

Vindplaats; op rust en slaapplaatsen onder bomen met stevige vrij hangende takken, in en aan de rand van bossen. In het broedbos. Ook wel langs sloten en beken en op weilanden en akkers.

 

7          Braakballen van een kiekendief

Vorm; cilindrisch of een einde dikker dan het andere einde, beide einden vaak met stompe punt.

Afmetingen; 3 tot 6 cm lang en 1,5 tot 2,5 cm dik.

Inhoud; sterk vervilte haren van vooral woelmuizen, ook wel veren van vogels, soms bot- en schedelresten.

Vindplaats; op slaapplaatsen in ruige natte heide en rietland.

 

 8         Braakballen van een Buizerd

Vorm; cilindrisch of ovaal met meestal beide einden afgerond.

Afmetingen; 6 tot 7 cm lang en 2,5 tot 3 cm dik.

Inhoud; sterk vervilte haren van muizen, mollen, ratten, konijnen of andere zoogdieren. Soms vogelveren, chitineresten van kevers en rupsen. Ook wel botjes of botfragmenten, soms zand en gras.

Vindplaats; onder bomen met stevige kale takken en aan de voet van afrasteringpalen, vaak bij de hoogste paal in de rij. In en aan de rand van bossen onder rust en slaapplaatsen. In het broedbos, soms op eetplaatsen, onder vrijstaande bomen in het veld. Meestal op plaatsen met veel uitzicht en goede aan- en afvliegruimte.

 

9          Braakballen van een Havik

Vorm; grillig cilindrisch.

Afmetingen; 3 tot 7 cm lang en 1,5 tot 2,5 cm dik.

Inhoud; veren, bottenresten en hoorn van snavels en klauwen van vogels in grootte van  lijsterachtige tot eenden en fazanten. Ook wel resten van zoogdieren zoals konijnen en eekhoorns. Soms ringen van postduiven.

Vindplaats; onder bomen langs bospaden en bosranden, ook wel op plukplaatsen en in het broedbos.

 

10        Braakballen van een Sperwer

Vorm; cilindrisch of ovaal, beide einden afgerond of puntig.

Afmetingen; 2 tot 4 cm lang en 1,2 tot 1,7 cm dik.

Inhoud; veren, bottenresten en hoorn van snavels en klauwen van kleine zangvogels zoals mussen, mezen, vinkachtige e.d. Vaak onverteerde zaden, de krop en maag inhoud van zaad etende prooivogels.

Vindplaats; onder rustplaatsen, langs bosranden, op plukplaatsen en in het broedbos.

 

11        Braakballen van een Torenvalk

Vorm; cilindrisch, meestal aan een einde puntig en het andere einde afgerond.

Afmetingen; 1,5 cm dik en 3 tot 3,5 cm lang.

Inhoud; sterk vervilte haren en weinig of geen schedel- en andere botresten van muizen. Vaak chitineresten van kevers, en soms resten van kleine zangvogels.

Vindplaats; aan de voet van afrasteringpalen, onder slaapplaatsen, deze zijn vaak op beschutte plaatsen in nissen of op uitstekende delen van huizen, schuren en andere gebouwen, vaak bij elektriciteitshuisjes in open veld en in de omgeving van de broedplaats.

 

12        Braakballen van een Boomvalk

Vorm; cilindrisch of ovaal, afgerond of met puntige einden.

Afmetingen; 2 tot 3 cm lang en 1 tot 1,5 cm dik.

Inhoud; veren en hoorn van snavels en klauwen van kleine zangvogels, zwaluwen en exoten zoals parkieten en kanaries, chitineresten van insecten vooral van libellen en kevers.

Vindplaats; op vaste rust en slaapplaatsen en in het broedbos.

 

13        Braakballen van een Kokmeeuw

Vorm; rond- of iets cilindervormig, vaak met een spits einde.

Afmetingen; 2,5 tot 4 cm lang en 1,5 tot 2 cm dik.

Inhoud; plantaardige resten en chitineresten van vooral waterinsecten

Vindplaats; op eetplaatsen in het open veld, op slaapplaatsen en vooral in de buurt van de broedkolonie.

 

14        Braakballen van een IJsvogel

Vorm; iets rond of cilindervormig.

Afmetingen; 1 tot 4 cm lang en 0,5 tot 1,5 cm dik.

Inhoud; resten van kleine visjes en soms chitineresten van waterinsecten

Vindplaats; langs het water o.a. bij stuwen en bruggen en in de nestgang.

 

Dit overzicht is een samenvatting van het weinige dat over braakballen geschreven is aangevuld met in de loop der jaren opgedane ervaringen van ondergetekenden.

 

Jan Kersten en Riek van den Bosch.

 

 

 

 

 

 

 IVN afd. Geysteren/Venray