De Pen....
![]()
In de Pen …!
Hoe word je natuurliefhebber !
Waardoor wordt de ene mens natuurliefhebber, die van alles wil weten over hoe de natuur in elkaar steekt en wordt een ander liefhebber van motoren en wordt lyrisch van het ronken en knallen van een stinkende motor? Zit zoiets in de genen of wordt het aangeleerd? Ontstaat het wellicht door ervaringen die men in de loop der tijd opdoet?
Ik weet niet hoe het bij anderen ontstaat, wel ongeveer hoe het bij mij zo is gekomen Liefde voor de natuur was niet iets wat mij met de paplepel werd ingegeven. Mijn vader werkte in een slachthuis, mijn moeder kwam uit een bloembollenkwekersfamilie. Op verjaardagsfeestjes werd uitvoerig gepraat over de prijs van de bloembollen en mijn vader vertelde over de huisslachtingen die hij in de oorlogsjaren illegaal verrichtte. De kans om daarbij gepakt te worden was niet gering, evenals de straf die daarop stond.
Wat bij mij diepe indruk heeft nagelaten waren de zondagochtenden; na de mis ; bramen plukken in het binnenduinbos van de Keukenhof. Dat was begin jaren vijftig. Ik was zo’n 10 jaar oud toen, geboren en getogen te Lisse. In dat bos waande ik me midden in de wildernis. Dat bos was eigendom van de Graaf van Leynden, en niet vrij toegankelijk. De boswachter dhr Alenburg; een goede bekende van mijn vader; had ons toestemming gegeven daar bramen te plukken Samen met mijn vader en broer en nog eens drie zussen lukte het ons met gemak in anderhalf uur tijd een emmer bramen te oogsten, dat terwijl we de mooiste en lekkerste bramen ter plekke consumeerden.
Thuisgekomen werden de bramen gewassen, gekookt en tot sap verwerkt. Heerlijk op de vanille vla.
Op zo’n zondagochtend terwijl wij bramen plukten kwam de boswachter langs tijdens zijn dagelijkse ronde, vergezeld door zijn twee zwarte bouviers. Er ontstond een geanimeerd gesprek tussen hem en mijn vader, waar ook ik met grote oren bijstond. Tijdens hun gesprek begon ergens in het bos een duifje te koeren. Mijn vader kende dat geluid niet en vroeg de boswachter wat dat was.De boswachter antwoordde : “oh dat is een Turkse Tortel, die broeden tegenwoordig ook in ons land”. Ja, in het begin van de vijftiger jaren vonden de eerste broedgevallen van de Turkse Tortel plaats in ons land. Deze soort had zelfstandig haar broedgebied uitgebreid vanuit Turkije via de Balkan naar hier.
Dat zelfde wilde bos maakte ook diepe indruk op mij tijdens een heel koude morgen zo’n vijf jaar later. Ik moest voor mijn baas in dat bos plakken mos gaan steken. (Haarmos weet ik nu). Dat mos in gaasbakken gelegd, werd later in het aangelegde deel van de Keukenhof op een helling gedrapeerd. Mijn baas was de enige daar met zo’n mooie moshelling tussen de bloeiende bolgewassen. Toen ik die morgen per fiets het bos in kwam waande ik mij in een sprookjeswereld. Die nacht was de mist aangevroren op de takken, wel meer dan 1 cm dik. De takken die elkaar raakten, boven het pad, maakten deze tot een kristallen ijspaleis. Toen de ochtendzon in een rode gloed kwam opzetten was het daar adembenemend mooi. Of ik het toen ook koud had, dat herinner ik me niet zo, maar het zal zeker wel het geval zijn geweest.
Bovenbeschreven herinneringen staan nog diep in mijn geheugen gegrift. Ook latere gebeurtenissen lieten hun sporen na b.v. de vlucht Koperwieken en Kramsvogels die neerstreek in de wei vlak voor ons huis. De manke Lepelaar fouragerend in het slootje ervoor. Op het strand de verbazend grote vormenrijkdom aan schelpen, ik kon niet nalaten hiervan een verzameling aan te leggen. Ook die heldere lentedag, weer vele jaren later, op de zilte slikken van de Grevelingen in Zeeland met boven ons roepende Grutto’s, Wulpen en Goudplevieren Prachtige herinneringen die ik nog steeds koester .
Raar vond ik dan ook altijd de opvatting van anderen, in mijn ogen geen echte natuurliefhebbers, die beweerden dat er geen echte natuur meer was in ons land omdat alles al eens op de schop was geweest. In het verlengde van die gedachtengang vond men ook dat je niet moest ingrijpen in de natuur. Je moest de natuur met rust laten en haar eigen gang laten gaan. Dan pas kreeg je echte natuur terug. Ingrepen in de natuur vond men een vorm van tuinieren.
Door deze ideeën kreeg de natuur niet de waardering die haar toekwam, en het kostte ons uiteindelijk veel prachtige natuurpareltjes. Bloemrijk hooiland, blauwgraslandjes en heideveldjes verdwenen onder bos en struikgewas. Men keek toe hoe prachtige planten zoals Rozenkransje, Arnica of Blauwe Knoop steeds zeldzamer werden tot alleen maar een genetisch verarmde restpopulatie overbleef. Gedoemd te verdwijnen door slechte en verzwakte zaadzetting. Sommigen beweerden dat dergelijke soorten bij natuurherstel vanzelf wel weer te voorschijn zouden komen vanuit een oude zaadbank in de grond. Men ging geheel voorbij aan het feit dat veel soorten zaad nog niet eens één jaar kiemkrachtig blijven. B.v. Dotterbloem en veel andere ranonkelachtigen, veel composieten waaronder Morgensterren en ook Ratelaar, Hengel, Klokjesgentiaan, Blauwe Knoop enz. Sommige zaden behouden maar uren tot dagen hun kiemkracht zoals b.v. wilg en populier. De kans dat dergelijke soorten uit een oude zaadbank te voorschijn zullen komen is echt nihil. Wel gebeurt dit met oliehoudende zaden van b.v. Klaproos, kruisbloemigen en andere houdbare zaden zoals Dop- en Struikheide.
Gelukkig komt men meer en meer tot het inzicht, dat men onze natuur, die zware klappen te verduren heeft, best een helpende hand mag toesteken. Allerlei herstelmaatregelen vinden plaats, grootschalig door b.v. grondaankopen, wildviaducten en faunapassages, maar ook kleinschalig. Zo worden momenteel de drie laatste kleine populaties Stengelloze Sleutelbloem; die erg ver uit elkaar liggen; vertroeteld. Men heeft het stuifmeel van deze populaties met elkaar uitgewisseld en zaden gewonnen van deze planten. Dit voor een deel weer ter plekke uitgezaaid. Het andere deel in een kwekerij opgekweekt, waarna dit plantgoed ook weer op geschikte plekken wordt uitgeplant. Iets dergelijks heeft men enkele jaren geleden experimenteel ook gedaan met Arnica, met goede resultaten tot gevolg.
Om kort te gaan, wij beginnen te beseffen dat onze natuur, die er nog is, er wel degelijk toe doet. Wij hebben nog steeds onze Waddenzee, IJsselmeer, duinen, uitgestrekte Veluwse bossen, slikken en schorren in de Zeeuwse delta en nog veel meer. Zelfs de natuur langs onze rivieren en nieuwe polders; nog heel jong; weet internationale aandacht op zich te vestigen. Wie dat nog niet beseft, raad ik aan de film “Nieuwe Wildernis”te gaan zien. Ook deze spectaculaire natuur hebben wij nog in dit overvolle land.
Ed van de Zwet
De opzet van dit artikel is om elke maand iemand een stukje te laten schrijven voor de Mosella. Het onderwerp is vrij. Geef je de pen door, dan is het wel verstandig om vooraf even daarover contact te leggen.
Wie hebben de pen al ter hand genomen .... ?