‘t Soar (2)
![]()
’t Soar (2)
Herfst 2009 zakte natuurouder Laurent tot z’n middel in de prut. Hij wilde leerlingen van groep 7 uit Oirlo laten ervaren hoe slap de bodem van het moerasbos naast de Meerlose visvijver is. Je bent hier op de bodem van de Oude Maasarm tussen Hegelsum en de forellenvijvers van Blitterswijck.
Het was lunchtijd en gelukkig voor Laurent begon het te plenzen. De schuilhut bij de visvijver is niet groot genoeg om beschutting te bieden aan een hele schoolklas en zo spoelde Laurent schoon, terwijl hij bezig was een groen zeil tussen de bomen te spannen. De andere natuurouders hadden inmiddels met behulp van een Campingaz brander de tomatensoep opgewarmd.
Overigens hadden de kinderen tijdens het maken van een bodemprofiel met de grondboor al gezien hoe venig de ondergrond van de Oude Maasarm is. En dat het profiel van de zuidelijke oeverwal veel meer zand en grind bevat.
Daarna moesten ze een rondwandeling met opdracht maken. Uitkijken naar sporen van dieren. De eekhoornnesten hoog in de dennen bijvoorbeeld of blauwe veertjes van de gaai. Afdrukken van de hoefjes van reeën in de sliklaag van een uitdrogende plas. Maar ook verse sporen. De zang van een roodborst, de roep van een kleine bonte specht tussen het vele valhout in het bos.
Vooraf had Laurent zich ook nuttig gemaakt door met een klewang een pad te banen door de brandnetelondergroei van een uitgedund populierenbos.
Onder een half vergane stam, waaroverheen geklommen moest worden, vonden de kinderen een kluit salamanders. Ook was het schrikken van de fazantenhaan, die ineens met luid misbaar uit de ondergroei opvloog. Langs een bruin oerstroompje terug.
Voor het merendeel van de kinderen was het lopen over geknakte stengels en opgeworpen oevervegetatie geen enkel punt. Voor een aantal strompelaars echter bepaald geen makkie, als je ene voet op een brandnetel staat en de ander er achter haakt. Afijn, dan heb je wel goed zicht op de resten van waterdieren in de oeverprut. Zoals van huisjes van poel- en posthoornslakken. Als je erg goed zoekt vind je ongetwijfeld ook verdroogde resten van libellenlarven.
Over een tractorpad liepen we terug naar de visvijver. Langs drassig weiland en lianen van kamperfoelie en hop die zich in de laanbomen omhoog werken. Halverwege dit pad maakten de leerlingen, met de ruggen naar elkaar in een carré gezet, een panorama tekening van de omgeving rondom.
Na de lunch en de plensbui onderzochten de kinderen met netjes het dierenleven van het troebele viswater. Vooral waterwantsen haalden ze boven water. Verrast merkten ze dat de schaatsenrijders niet onder water wilden.
Ik wil nog even terugkomen op dat jaarlijkse opschonen van vrijwel al onze watergangen. Dat moet een grote invloed op de bewoners hebben, zou je zo denken. Uit eigen waarneming heb ik stevige waterkevers de weg terug naar het water zien vinden. Zelfs sommige zoetwatermosselen laten via een sleepspoor zien dat ze zich met hun voet het water ingewrikt hebben.
Maar de zwakkere waterdieren zijn toch maar weer elk jaar opnieuw de klos. Hein van Kleef schrijft erover in het januarinummer van ‘De Levende Natuur’. Poelslakken handhaven zich in onze geschoonde watergangen door meer eieren te produceren. Wel zo’n 2,5 maal meer. Zo compenseren ze hun kortere levenstijd. Dat kunnen ze omdat na de schoning er minder predatoren (vissen bijvoorbeeld) zijn. Waterplanten gaan weer uitlopen en dat frisse groen stimuleert tot eiproductie.
Wordt vervolgd, Wim Jongejans.
![]()